Category: Uncategorized (page 1 of 3)

Social dialogue in the future- Is the platform economy a disruptor for social dialogue

extract of my contribution to the IREC seminar IREC – The future of Industrial relations in B and N ‘ organized by the KUL on 11 september 2018 

New forms of labour and certainly the platform economy can develop into systems that are really disruptive for the social dialogue. The idea that platform workers are salaried workers doesn’t stand a thorough legal examination . Some argue that they are workers and that labour law should apply to them even when they are self employed. But that is not the direction that was taken in the EU proposal concerning predictable and transparent working conditions. The commission clearly states that this directive should not cover the self employed. Some argue also that platformworkers have the right to collective bargaining based on the ILO conventions even if they are not salaried (article 98). But that point of view is actually not generally shared .Certainly not by the employers organizations.
But even that is not the main point. The main point is that there is no employer or at least no one considering himself as employer . With who do you negotiate  in the platform economy ? With the algoritm ? With the consumer ? With a provider of services for the group ? With the authorities, to lobby for platform-reglementation ? The EU definition of employer in the transparent and predictable working conditions proposal is not really very helpful (employer = one or more natural or legal person(s) who is or are directly or indirectly party to an employment reltationship with a worker). And of course there will never exist an employers organization for platforms . A platform that doesn’t want to be considered as an employer will not be eager to become a member of an employers organization.
This is not so negative for the association of workers and for organizations that want to play a role in this new field. At least for some activities like local services. And more certainly if some skills are needed. In fact this can be compared to a return to medieval guilds that were able to defend themselves quite well. More actual we can refer in Belgium to Unizo as an organization that was quite succesfull in defending the rights of liberal professions.
Another example is the paradoxal situation of the taximan .The corporation of taximan , composed by companies with workers and by self employed ,succeeded in imposing reglementation protecting their business . The main point of Uber is to avoid that reglementation.

This brings us to the problem of the rules concerning competition and price agreements. Collective agreements are exceptions on market rules but legally authorized. What will be the position of the competition authorities concerning agreements on prices of services ? On national and European level . The well known case of the Irish exception for fully dependent journalists and artists explicitely states that there should be no effect on the market nor any distorsion of competition . This doesn’t seem to problematic in the cultural sector or even in the media sector . On the other hand we can remember the intervention some time ago of the Belgian competition authorities prohibiting the tarifications of the architects (1995) an the reaction of those authorities to the proposals concerning the lawyers . But European case law seems in full evolution in that field , considering that even real self employed may conclude collective agreements in some situations . This evolution could change the approach of the platform activities and is certainly a field for further scrutiny .

september 2018

Eindelijk een akkoord in de Nederlandse metaal – barst in het poldermodel of scheve schaats ?

Na een conflict van ruim 7 maanden is er eindelijk een voorakkoord tot stand gekomen in de Nederlandse metaal . Het gaat over de sector die in NLD ook Metalektro of grootmetaal wordt genoemd en ruim 150 000 werknemers telt ( daarnaast kent met kleinmetaal of Metaal en techniek die al een tijdje onder cao-dak ware) .. De onderhandelingen waren opgestart in maart 2018 , de sociale vrede liep af op 1 juni van vorig jaar en sindsdien voerden de vakbonden bijna wekelijks stakingen van 24 of 48 uren in een aantal geselecteerde grote bedrijven. Een uitzonderlijke lang conflict waar alvast heel wat lessen zullen worden uit getrokken . En met soms verrassende wendingen zoals de uitspraak van de rechtbank om een staking bij een specifiek bedrijf niet toe te laten op basis van een soort proportionaliteitstoets .
Het ontwerp van overeenkomst loopt over een duurtijd van 30 maanden van 1 juni 2018 to 1 december 2020 . Meeste aandacht gaat naar de lonen . Drie loonsverhogingen zijn gepland : op 1 februari 2019 komt er 3,5 % bij , op 1 augustus 2019 een forfaitair bedrag van 58 € per maand en op 1 januari 2020 nog eens 116 € per maand . Daarnaast worden 3000 flexcontracten zoals uitzendcontracten omgezet in vaste banen en is er een soort generatiepact voor ouderen ( in ploegenstelsels kan men dan vanaf 60 jaar 80 % werken voor 90 % loon en 100 % pensioenbijdrage ; voor werknemers die niet in ploegen werken kan dit vanaf 62 jaar ; voor zij die meer dan 70 000€ per jaar verdienen geldt een aparte regeling ) . Ook wordt er geinvesteerd in duurzame inzetbaarheid waarbij ondermeer elke werknemer een ontwikkelingsdag vrij mag nemen .
Het ontwerp moet nu nog door de achterbannen worden goedgekeurd .

Als je naar het loonplaatje kijkt zitten de bonden dicht bij hun objectief . De aanvangseis was 3,5 % voor een cao van 12 maanden plus een rits andere voordelen, waaronder het afschaffen van de degressieve jongerenlonen . Het loonresultaat is gemiddeld op jaarbasis 3,26 % .Via de forfaitaire loonsverhogingen dit en volgend jaar bevoordeligt men de werknemers met lagere lonen en dus door de band ook de jongeren . Voor ondernemingen met lagere lonen wordt het loonpakket dan weer relatief duurder . Vergeleken met het recente akkoord in Duitsland is de loonstijging vergelijkbaar of ligt ze zelfs iets hoger wat eerder uitzonderlijk is . Natuurlijk ging in Duitsland vooral veel aandacht naar individuele mogelijkheden van arbeidsduurvermindering, ongeacht de leeftijd , met bijhorende flexibiliteit . En kijk je naar Belgïe dan dient in de eerste plaats herhaald dat deze loonaanpassingen index inclusief zijn . De tijd van automatische indexering in Nederland ligt ver achter de rug .
Op het eerste zicht is het moeilijk winnaars of verliezers aan te duiden . Van werkgeverszijde werd naar vernieuwing gezocht met een aantal belangrijke tegeneisen zoals het kunnen afwijken van de loonsverhogingen op ondernemingsvlak . En werd ook gepoogd druk te zetten op de bonden via de politieke en interprofessionele kanalen . Het resultaat laat niet toe te stellen dat dit gelukt is . Achteraf bekeken is het meest opvallende de lange lijdensweg met de veelvuldige stakingsdagen . Vraag is of het poldermodel hier niet ernstig door elkaar werd geschud . Of is er enkel sprake van een toevallige scheve schaats . Wel wijzen de eerste karige reacties er op dat een helingsproces van langere duur aangewezen is .

Februari 2019 ( tweede versie)

 

RIP cao 30 ? Overleg in tijden van uurwisseling

Is ons laatste winteruur geslagen ? Die vraag beroert terecht de gemoederen . Van de man in de straat tot de hoogste Europese instanties . Zo belangrijk dat er zelfs over de landen heen referenda worden gehouden .
Verdwijnt het winteruur, verliezen we ook een stukje folklore uit de sociale geschiedenis . Na meer dan 40 jaar . Want over zomer- en winteruur sloten onze sociale partners in 1977 op het hoogste niveau een cao (1) . Over het loon van de nachtarbeiders tijdens de overgang van winter- naar zomeruur en terug .

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST NR. 30 VAN 28 MAART 1977 BETREFFENDE DE PROBLEMEN DIE INZAKE BELONING VAN SOMMIGE WERKNEMERS RIJZEN BIJ DE OVERSCHAKELING NAAR HET ZOMERUUR EVENALS NAAR HET WINTERUUR

Waarom in godsnaam hierover een cao maken op landelijk niveau ? Met daarin de pretentieuze bepaling dat de partijen door die overeenkomst alle problemen hebben opgelost wat het loon tijdens de overgangsnachten betreft .
Het antwoord is te vinden bij de continubedrijven van scheikunde en staal . Dus ondernemingen waar tijdens de overgangsnacht zou worden doorgewerkt . In sommige van die ondernemingen hadden de vakbonden het punt aangekaart van de verloning wanneer voor het eerst het zomeruur zou worden ingevoerd op 3 april 1977 . Ging de cyclus van 3 ploegen van 8 uren overboord ? Onmogelijk . Dus naar 1 ploeg van 7 en  naar 2 ploegen van 8 uren op de dag van het zomeruur . En in de grote continubedrijven ( namedropping is hier niet op zijn plaats) werden snel afspraken afgedwongen om op de overgangsdag de nachtploeg van 7 uren  , toch voor 8 uur te betalen  . Die precedenten veroorzaakten wat beroering in werkgeverskamp . Het werd weer allemaal duurder . En wat dan met de semi-continu bedrijven die geen volle zondag doorwerkten ? En wat bij het winteruur  (2) ? Een shift van 9 uren betalen met overurentoeslag ? Oeps .
Om de zaak onder controle te houden lanceerde de Nationale Arbeidsraad zich in het debat en vergaderde op 15 maart 1977 ( twee weken voor het zomeruur) om ‘ de problemen te onderzoeken die rijzen bij de overschakeling van het winteruur naar het zomeruur voor de arbeiders in nachtploegen ‘. Met in den beginne radikaal tegengestelde standpunten . Voor de vakbonden moesten de nachtarbeiders voor de 7 uren prestatie bij overgang naar het zomeruur, 8 uren worden betaald , en voor de prestatie van 9 uren bij overgang naar het winteruur hoorde 9 uur loon . Voor de werkgevers was het éénvoudig : de betaling volgde de prestatie , punt . En in semi-continu systemen ( bvb in textiel ) kon de duur van de ploegen worden aangepast .
Tenslotte gingen de werkgevers overstag en werd op 28 maart 1977 cao 30 boven de doopvont gehouden . In semi-continu was er in feite geen probleem . En in continu stapelden de precedenten op het terrein zich op . De cao vertrekt van de theorie (of de aanbeveling) dat zoveel mogelijk dezelfde ploeg presteert tijdens beide uurwisselingen zodat het totaalplaatje van de verloning geen 17 maar 16 uren is . Dit wordt geformuleerd door te stellen dat in dat geval de eerste prestatie van 7 uur aanleiding geeft tot een anticipatieve betaling van 1 bijkomend uur , die wordt gecompenseerd door het negende uur bij overgang naar de wintertijd . Maar de toepasbaarheid in de pay roll daarvan werd niet uitgetest . Wel werd duidelijk gemaakt dat de 9 uren bij de overgang naar het winteruur geen overuren konden meebrengen. Zonder het even uitdrukkelijk in de cao te schrijven .
We zijn nu ruim 40 jaar later . De cao is nooit nog ter sprake gekomen en is dus probleemloos toegepast of niet toegepast .
Vraag is of we hieruit iets kunnen leren over het sociaal overleg ,over tijdsregelingen of over verloningssystemen ?
De cao past in elk geval bij onze reputatie van surrealisten, gezien in eenzelfde tekst wordt aangenomen dat twee maal acht zowel 16 als 17 kan zijn , in functie van de partijen . Zij past ook in de traditie van  subtiele compromissen , vooral duidelijk voor de onderhandelaars en minder voor de buitenwereld . Expliciet wordt bvb niets over overuren gezegd wanneer de prestatie door overgang naar het winteruur 9 uur zou bedragen  . Juridisch is dat in een ploegenstelsel ook niet nodig , want de prestatie mag tot 11 uur uitlopen zonder dat er sprake is van overuren . Maar dan wordt er in de cao wel even overbodig maar uitdrukkelijk gesteld dat voor die negen uur het normale uurloon moet worden betaald .  En ja van dat normale uurloon bestaat een wettelijke definitie .  En als toemaatje krijg je een administratieve theoretische oplossing zonder rekening te moeten houden met de belastende kennis van de praktijk  .
Wel opvallend is de snelheid waarmee ter elfder ure (die konden we niet missen ) een onderhandelingsproces werd afgerond met een tekst die kracht van wet heeft . In twee weken en drie gespreksrondes een definitieve tekst . Een voorbeeld van efficïente aanpak van iets wat toen als probleem werd ervaren . En waar gelukkig niet te veel werd geleuterd over het nadelig effect van de tijdswisseling op de melkproductie van de koeien , het stokpaardje van de Boerenbond , noch over de historiek van de vorige uurwisselingen ,  twee keer onder Duitse bezetting , noch tenslotte over de verhoopte  energiebesparing , met de petroleumcrisis nog vers in het geheugen
Maar nu ziet het er naar uit dat cao 30 haar tijd heeft gehad . Ofwel komt Europa tussen en verdwijnt het winteruur . Hoewel dit Europees proces eentje is van lange adem met veel verloren uren zoniet jaren . Ofwel sterft cao 30 een stille dood . In het kader van de toenadering arbeiders-bedienden . Waarbij in continu-systemen de berekening van het loon per uur verdwijnt .
Het is een kwestie van tijd . Je kan spelen met uren maar niet met de tijd

26 oktober 2018

(1) De onderhandelaars van cao 30 waren toen ( of werden later) niet van de minste : voor VBO Wilfried Beirnaert en Jan Van Holm , samen met vertegenwoordigers van scheikunde staal en textiel , langs ACV zijde ondermeer Robert Vandepoele, Lucien Fruru en Joseph Servotte en bij ABVV Mia De Vits, Michel Jadot , Xavier Verboven , Georges Gogne . Om er maar enkele te noemen .

(2)  Toen begon de wintertijd nog in september , maar dat veranderde in 1996 naar oktober om met de Britten te kunnen samenleven 

° met dank aan Jan Van Holm en Xavier Verboven voor hun memories

 

 

 

 

Is het debat over de ancïenniteitbarema’s in de phase van de ideologie getreden

Onder de titel “De afschaffing van anciënniteit zal oudere werkzoekenden niet helpen” schrijft Sacha Dierckx van de denktank Minerva in Knack dat er geen evidence based materiaal te vinden is om anciënniteitsbarema’s af te schaffen. Dat trekken wij in twijfel.
Het lijkt, zo stelt hij, eerder een ideologische kwestie . En om dit te bevestigen doet hij ijverig mee aan ideologische stellingnames .

1 Laten we beginnen met de vaststellingen waarover we het eens zijn met Sacha Dierckx : de barema’s zijn niet de enige reden van de loonspanning tussen jongere en oudere werknemers. Dat hebben we ook geduid elders op deze blog  ( cfr www.socialedialoog.be). En anciënniteit speelt vooral een rol bij bedienden en veel minder voor arbeiders . Voor de volledigheid zou je er ook kunnen aan toevoegen dat anciënniteit nog het meest speelt bij lager geschoolde ambtenaren .
.
2 Maar de auteur vertrekt van een aantal premisses die betwistbaar zijn en hem de ‘jump to conclusion’ toelaten door te stellen dat de afschaffing van de anciënniteitsverloning niets zal bijbrengen om 55 plussers aan het werk te houden . Zo de bewering dat er in de praktijk een plafond is voor verhogingen op basis van anciënniteit rond de leeftijd van 45 Jaar . Waarop dit is gebaseerd wordt niet geduid .Hij voegt er ook aan toe dat het systeem in ons land vergelijkbaar is met dat van andere landen . Vermoedelijk is die stelling afgeleid uit de studie van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid van 2014 uitgevoerd in opdracht van Monica De Coninck . Een overigens interessante studie die wel wat te laat kwam voor de vorige regering en vandaag wat van zijn actualiteitswaarde heeft verloren . Omdat sindsdien de gegevens inzake sectorbarema’s in beperkte mate en inzake tewerkstelling van ouderen in sterkere mate zijn geëvolueerd.
Helemaal niet in beeld is de recente studie van Xavier Baeten van de Vlerick school samen met HR dienstleverancier Hudson over het loongebouw van de toekomst . Uit die studie , die in maart 2018 werd voorgesteld ,onthouden we dat de loonprogressie bij bedienden niet stopt op 45 jarige leeftijd . En dat ons land inzake loonprogressie op basis van anciënniteit sterk verschilt van de buurlanden ( Frankrijk uitgezonderd) en van de Scandinaven. Ook Andreas Tirez toonde al aan dat de loonspanning gebaseerd op leeftijd in België op één na de hoogste is in EU-landen. EnSacha Dierckx negeert de statistieken die een verband aantonen tussen leeftijd en de werkgelegenheidsgraad van werknemers tussen 55 en 65 jaar.

3 Terug naar de recente Vlerick studie : de belangrijkste verdienste ervan was juist dat ze niet gebaseerd was op ideologische gronden , maar gedreven door bedrijven die weg wilden van te rigiede barema-systemen . En vooral samen wilden denken aan een nieuw en bruikbaar systeem van loonevolutie . Spijtig genoeg zoals we toen al opmerkten en aankondigden , wordt het debat toegespitst op wat men niet meer wil of absoluut niet wil veranderen , en is er geen enkele aanzet om in debat te gaan over de constructie van het toekomstig loongebouw .

4 Door een debat over een nieuw loongebouw te vermijden gaan kan de auteur ongebreideld ingaan op de ‘grotere uitdagingen’ en volop de ideologische kant op gaan : verloning baseren op competentie en productiviteit behandelt arbeid als koopwaar , het afschaffen van de collectieve anciênniteitsbarema’s kan leiden tot verkapte loonmatiging ,werkgevers doen aan leeftijdsdiscriminatie tov ouderen,er moet gezorgd worden voor werkbaar werk voor ouderen , en tot slot moet het onderwijs verder worden gedemocratiseerd… . .

5 Toegegeven met het zomerse arbeidsdeal had de regering ook een zuivere ideologische voorzet gegeven over de loonvorming van de toekomst . Door te stellen dat in de toekomst de lonen zouden moeten gekoppeld worden aan competentie en productiviteit . Niet meer aan leeftijd en ervaring . Wetende dat dit makkelijker gezegd is dan gedaan . En dat niets concreets in deze legislatuur nog haalbaar is . En zonder de minste aanduiding trouwens van een mogelijke concrete invulling . Of is het thema vlug nog even op de agenda gezet , omdat vastgesteld werd dat er tijdens deze legislatuur , ondanks de regeringsverklaring , niets concreets was gebeurd

Door Manou Doutrepont en Paul Soete op 9 oktober en oorspronkelijk gepubliceerd op www.socialedialoog.be

‘de beste stuurlui staan aan de andere wal’ #socialedialoog

Wat kunnen vakbonden doen tov hun tanend succes ? Een vraag die me onlangs werd gesteld door ‘Kerk en Leven’ . En die zijdelings ook aan bod kwam tijdens een panelgesprek over de sociale dialoog in het kader van de IREC Conferentie georganizeerd bij de KU Leuven tijdens de tweede week van september.
Hoe daarop reageren ? Het is niet alleen bijzonder pretentieus zich vanop de wal de rol van adviseur voor de vakbond aan te meten . Maar nog meer om dit te doen op basis van ervaringen die vooral gevormd werden tijdens een professioneel leven binnen werkgeversorganisaties . Dus vanop de andere wal . Wel valt me op dat je daar niet alleen staat . Velen uit werkgevers- en andere organisaties gaan graag in op die vraag  .  Als je bijvoorbeeld over de toekomst van de sociale dialoog een brainstorming organiseert bij werkgeversorganisaties , krijg je in de eerste plaats voorstellen van veranderingstrajecten die door de vakbonden zouden moeten gevolgd worden . Elk vanuit zijn eigen wereld heeft blijkbaar sneller een zicht op de nodige veranderingen aan de andere kant .
Misschien kunnen werkgeversorganisaties zo ook advies van de vakbonden krijgen ?

Paul Soete 13 september

Met dank aan zij die af en toe de verschillende leefwerelden met elkaar in contact brengen

Wie houdt me aan de Lijn ? Hallo, Hallo

Een goede klantendienst on line . Wie heeft dat ? Dat is even zoeken . En wie zeker nog niet ? Dat is makkelijk te vinden . We kunnen er een paar opnoemen . Zoals De Lijn . Met onze recente ervaring als illustratie .
Begin juli stelde de buschauffeur vast dat mijn MOBIB-kaart een technisch defect vertoonde . ‘Die chip is kapot , doorschuiven alsjeblief ‘ . Dus vroeg ik een duplicaat aan via de website van De Lijn . En kreeg dezelfde dag via mail de ‘ Bevestiging online aanvraag duplicaat ‘ . Met de melding dat ze 10 € administratiekost aanrekenden . En dat ze de betaalgegevens voor die 10 € snel zouden bezorgen . Per post (sic) . Na ontvangst van mijn  betaling zou de Lijn de nieuwe kaart aanmaken en per post versturen …

Met zo’n reactie stuurde ik apart nog  een mailtje naar de klantendienst  met de vraag hoelang ik zou moeten wachten . Op die mail kwam na 4 dagen een reactie per mail . Het soort reactie dat een selectie van frequent given answers bevatte , wellicht samengesteld door een robot die at random uit een rijke collectie had mogen putten . Het antwoord werd begeleid door een schrijven van Kristien , die me er op wees dat ik in bijlage een reactie kreeg op mijn mail .

Vermits de reactie geen antwoord was op de vraag stelde ik ze nogmaals .
Na 2 weken buitenland geen verder nieuws gekregen . Geen brief met de post met de betaalgegevens voor het duplicaat . Uiteraard geen duplicaat en geen reactie op mijn laatste  mail . Wel een vraag tot verlenging van het abonnement dat toevallig afloopt in september . Volledig losstaand van het probleem .

Mijn hoop in een on line oplossing had schipbreuk geleden . De telefoon dan maar ? Om wellicht te horen dat alle medewerkers in gesprek waren ? En tenslotte te horen zeggen dat de brief met betaalgegevens ergens bij de post was verdwenen ?  Neen dus . Onverschrokken koos ik ervoor de ervaring van het fysisch ‘guichet’ te testen .  Dus op naar de Lijnwinkel . In de regio betekent dit een bezoekje aan Brussel Noord . Tenzij je geduld hebt om te wachten op de tweewekelijkse mobiele winkel op de markt van Dilbeek .
De file in Brussel Noord viel redelijk mee . Slechts een 20 tal wachtenden . De term redelijk komt van de buschauffeur op de terugreis . Want blijkbaar is dit een laagterecord . Vacantie beperkt de filevorming . Pas eind augustus heb je de standaard-file . Dan zou je , volgens de chauffeur , pas terecht mogen klagen .
Geen klagen dus op 30 juli . Na 30 minuten aan het loket geraakt en onmiddellijk van een nieuwe kaart voorzien ( mits betaling van de voormelde 10 € , een koopje ) . Vernomen dat mijn eerste aanvraag voor duplicaat was geannuleerd . Waarom gewist werd was niet geweten . Probleem dus opgelost mits een tijdsinvestering van ongeveer een halve dag ( dit tekstje niet meegerekend  🙂 )

Ter conclusie en onterechte veralgemening
Iedere keer dat je oog in oog komt met een personeelslid van De Lijn , heb je de indruk als klant goed behandeld te worden . Normaal ook op de bus . Zoals wanneer je meldt dat je kaart defect is , en de chauffeur laat weten dat hij het wel aan de controleur zal uitleggen .
Ieder keer dat je via online iets wil verkrijgen of uitleggen bots je op het geautomatiseerd onbegrip . Met als resultaat Automatische Inefficientie . Je kan hopen dat in die customer service niet te veel is geinvesteerd . Ik las dat de Lijn de drempel om digitale tickets te kopen nog gaat verlagen . Daar is inderdaad nog veel ruimte voor .

10 augustus

Arbeidsdeal – zijn zachte landingsbanen de oplossing voor oudere werknemers ?

De arbeidsdeal is beklonken . Voor en tegenstanders roeren zich . Het gaat te ver of niet ver genoeg . Het glas is halfleeg , halfvol of helemaal niet te drinken . De meeste reacties zijn perfect voorspelbaar . En naar recente gewoonte zal de regering uitvoeren wat is beslist zonder daar veel rekening mee te houden . Wel is er een discussie mogelijk over gemiste kansen die verder debat of verduidelijking vergen .
Eén van die mogelijk gemiste kansen is het ogenschijnlijk gebrek aan aandacht voor de oudere werknemers . Tekenend is dat daarbij wel een opvallend parallellisme bestaat tussen reacties uit totaal verschillende hoek .
Zo betreurt advokaat Kris De Schutter in een Opinie in De Tijd van 4 augustus dat het deal geen enkele maatregel bevat die werkgevers aanmoedigt om werknemers langer aan de slag te houden . Hij stelt ‘ Het zou veel nuttiger zijn dat de regering ook in zuurstof voorziet voor oudere werknemers tijdens de tewerkstelling. In plaats van een demotie of interne mobiliteit te culpabiliseren, moet dat net (para-)fiscaal worden gestimuleerd. Werkgevers moeten worden aangemoedigd slim na te denken over hun loonbeleid
En verder ‘ je kan de zachte landingsbaan veel meer uitbreiden. Wie ervoor kiest, kan een deel van zijn loon inleveren en andere taken op zich nemen, zoals de coaching van jongere werknemers. Oudere werknemers kunnen meer als ‘interne consultants’ in het bedrijf functioneren, waarbij hun ervaring wordt ingezet waar het nodig is.’
Een stelling die heel wat parallellen vertoont met die van ABVV metaal . Samen met de andere sociale partners van de metaal aan de basis van het huidig stelsel van ‘zachte landingsbanen ‘ . Recent nog verwees voorzitter Georges De Batselier naar het specifiek stelsel dat op sectorvlak in de metaalverwerkende nijverheid werd gecreeerd voor werknemers van 58 jaar en ouder. Daarbij wordt de overgang naar een andere functie of naar een 4/5 de job gestimuleerd dmv bijkomende aanvullende vergoedingen die via het Fonds Bestaanszekerheid uitbetaald worden. Zo is er een stimulans voorzien bij een overgang van loopbaan naar een alternatieve functie met loonsvermindering, bij de overgang van ploegen- of nachtarbeid naar een stelsel van dagregime, en bij de overgang van een voltijdse naar een 4/5e tewerkstelling (deze laatste enkel vanaf 60j mogelijk).
Maar tot nu zijn deze stimuli nog onvoldoende gekend en dus weinig gebruikt . En is ook niets voorzien voor de coaching van jongeren door ouderen . De Batselier vindt het trouwens spijtig dat de regering niet heeft toegelaten ervaren werknemers te belonen voor peterschapsopdrachten via de regeling bestaanszekerheid .
Zal dit veranderen met het arbeidsdeal ? Eén van de voorziene maatregelen is een individueel recht om zachte landingsbanen aan te vragen . Ook zonder cao . Maar met welke voorwaarden ? En wie zal die bepalen ? De sociale partners waren einde 2017 niet echt enthousiast over die zachte landingsbanen . Maar als ls dit de missing link zou zijn om oudere werknemers aan de slag te houden is dit minstens een grondig debat waard .

5 augustus

de weeffouten in onze minimumlonen

Zijn onze minimumlonen te hoog ? Omdat ze de werkgelegenheid van laaggeschoolden afremmen ? Daarover bestaat geen consensus .
Anderzijds is het wel een quasi algemeen aanvaarde stelling dat de minimale loonkost ( minimumloon plus sociale lasten) bepalend is voor de tewerkstellingskansen van laaggeschoolden. En het is opvallend hoe wijd en zijd de stelling wordt verkondigd dat een loonkostenverlaging in de eerste plaats moet geconcentreerd worden op de laagste lonen. Om de werkzaamheidsgraad te verhogen .
Maar het bruto-minimum uur of maandloon, is daar ook niets mis mee ? We bekleden daar zoals in andere domeinen een koppositie in Europa . Op zich geen probleem als we zeker zijn daarmee geen tewerkstellingkansen te verspelen . En dus toch de moeite om even ons systeem van minimumlonen onder de loupe te nemen . Waarin vrij duidelijk twee bijzonderheden opvallen , die als weeffouten kunnen bestempeld worden . De ene is de sectorale ongebreidelde diversiteit, waaraan moeilijk een touw is vast te knopen, De tweede het ontbreken van jeugdminima .
Hoe komen de minimumlonen bij ons tot stand? Ze worden niet vanuit de overheid opgelegd , maar onderhandeld , op interprofessioneel maar vooral op sectoraal vlak in de verschillende paritaire comités . Voor de vakbonden zijn de minimumlonen een middel om de armoede te bestrijden , de ongelijkheid tussen de werknemers te beperken en de koopkracht in het algemeen te verbeteren . Voor de werkgevers zijn , los van sociale motieven , minimumlonen een middel om de neerwaartse concurrentie op de prijs van de arbeid te beperken en , sectoraal, om voor nieuwkomers en vrijbuiters, een drempel in te stellen . Als het minimum de onderste trede is van een functioneel sectoraal barema is , dan kan het ook gezien worden als middel om de attractiviteit van de sector op de arbeidsmarkt in de verf te zetten . En voor de werkgevers maken de minima natuurlijk deel uit van het geheel van de sociale collectieve arbeidsvoorwaarden die de kost van de arbeid bepalen .

Om een beter beeld te krijgen van onze minimumlonen kan je best gaan grasduinen in de sectorale minima .
De website van de FOD Waso geeft een leerrijk beeld van de minimum lonen in 197 paritaire comites en subcomites . Het minste wat je kan zeggen ,als je de weinig ‘leesbare’ mozaiek van de minimumlonen in die paritaire comites bekijkt, is het totaal gebrek aan logica in de bedragen . De enige logica is deze van de historiek van het betrokken paritair comite . Een voorbeeld dat me welbekend is zijn de minima in het paritair comite voor de arbeiders van de metaal PC 111) . Dit paritair comite verzamelt bedrijven ,groot en klein, met sterk verschillende activiteiten , gaande van atelierwerk tot sterk geautomatiseerd assemblage-werk . De minima houden geen rekening met het soort activiteit , of die nu sterk arbeidsintensief is of niet . Die minima zijn wel provinciaal verschillend . Vroeger was dat zelfs sub-provinciaal . Ze varieren van 11, 76 € per uur in Brabant (conform de oude provinciale definitie)  tot 12,50 € in Oost-Vlaanderen , berekend voor een 38 uren week . Het verschil tussen het minimum in Antwerpen en de sinds kort geharmoniseerde minima voor Luik, Luxemburg , Henegouwen en Namen bedraagt amper 2 cent voor wie al 6 maand aan de slag is en 39,23 cent voor wie pas aan de slag gaat . Wil iemand zich wagen aan een economische verklaring ?
Ook in andere sectoren is economische logica zoek . Soms voel je dat er bij aanvang wel een poging was om via de techniek van het subcomite eerder homogene activiteiten af te bakenen , zoals bvb in het subcomite voor de ‘Leisteengroeven, Corticulegroeven en Groeven van slijpsteen voor scheermessen’ bevoegd voor de Waalse provincies , maar even dikwijls zie je dat in andere sectoren de subcomites na zekere tijd weer bij elkaar zijn gebracht, en er van gelijkaardige activiteiten weinig sprake is . Opvallend is ook de grote spreiding van de bedragen van de minima die voor arbeiders varieren naargelang het paritair comite tussen de 9,5 ( wat ongeveer aansluit bij het interprofessioneel minimum ) en de 19 euro per uur in een 38-uren regime. Minimumlonen voor ongeschoolden kunnen dus van enkel naar dubbel varieren, afhankelijk van de sector
Bij gebrek aan economische verklaring kan aan de oorsprong wel altijd een historische en onderhandelingslogica gevonden worden . Historisch eenvoudig samengevat : hoe meer cao’s al gesloten in het pc , hoe hoger de minima . En wat onderhandelingslogica betreft: kort door de bocht kan je spreken van een NIMBY effect bij werkgeversonderhandelaars . Deze bestaan uit gevestigde bedrijven of hun vertegenwoordigers , die niet of amper getroffen worden door de verhogingen van de minima . Bij consultaties zijn de nieuwkomers en de vrijbuiters ook nauwelijks aanwezig . Daarnaast is het een thema dat heel dikwijls pas in laatste instantie als noodzakelijk toetje op de taart besproken wordt . Of als wisselgeld voor andere punten . Kort samengevat : de coalitie van de insiders heeft bij het onderhandelen van de minima zeker niet als prioriteit de tewerkstellingskansen in nieuwe ondernemingen te verhogen .
Vraag is natuurlijk of en hoe dit kan rechtgetrokken worden . Een aantal denkpistes hebben we in ons slot verwerkt .  Zo zouden minima voor ongeschoolden  , behoudens uitzondering ingevolge de werkomstandigheden , enkel op interprofessioneel vlak mogen bepaald worden . En functiegebonden loonminima met een zekere scholings-of ervaringsvereiste in de sectoren.

De tweede weeffout is wellicht delicater . Het gaat over de minima voor jongeren en over de principes die worden gehanteerd bij de discussie over mogelijke degressiviteit onder een bepaalde leeftijd . Kijk naar Nederland waar de degressiviteit veel sterker is , maar langzaam wordt verminderd . Het   minimumloon aan 100 % zal er pas in juli 2018 gelden vanaf 21 jaar , en voor 18 jarigen geldt dan 50 % . In  2017 werd die 100 % van het minimum pas op 23 jaar toegekend . De jeugdwerkloosheid bedraagt er net iets meer dan 7 % begin 2018 . Bij ons bedraagt de jeugdwerkloosheid ruim 16 % . En is de situatie inzake minimumlonen sterk verschillend . In Belgïe hebben de sociale partners er voor gekozen de degressiviteit onder de 21 jaar stapsgewijze af te bouwen . En voor het interprofessioneel minimuminkomen bestaat sinds 1 januari 2015 geen degressiviteit meer tussen 21 en 18 jaar ( met uitzondering van studenten en leerlingen). Belangrijkste motief voor de gelijkschakeling was de niet-discriminatie in functie van de leeftijd . Niet-discriminatie heeft het gehaald op overwegingen inzake werkgelegenheid . Vraag is zelfs of de mogelijke impact op de werkgelegenheid op één of andere manier werd onderzocht . Het ene , namelijk de discriminatie ,vertrekt van principiële waarden en bijhorende juridische analyses, het andere , de weerslag op de werkgelegenheid , vertrekt van het geloof in economische mechanismen . In elk geval had het Nederlands voorbeeld toch best wat meer aandacht verdiend .  Natuurlijk kan gesteld worden dat het interprofessioneel minimumloon niet zo belangrijk is gezien de ruime meerderheid van werknemers onder sectorale en dus hogere minima valt . Maar toch heeft het interprofessionele een symbolisch belang . De sectoren die nog een leeftijdsbarema voor jongeren hadden hebben zijn meestal gevolgd . Andere sectoren hadden reeds de stap gezet op basis van de eigen analyse van de discriminatierisico’s . Maar over de houding van de sectoren mbt de minimumlonen hebben we het hierboven al gehad .
Op eerste zicht lijkt het causaal verband tussen jeugdwerkloosheid en minimumlonen nochtans evident . Althans voor laaggeschoolden , gezien de algemeen verspreide stelling dat er een verband bestaat tussen de kost van laaggeschoolden en hun tewerkstellingkansen . De stelling van sommigen, zoals professor Stijn Baert die voorstelt het minimumloon te koppelen aan het opleidingsniveau, is dus zeker het verder uitwerken waard . En dit ondanks alle studiewerk dat zich voornamelijk toespitst op het mogelijk negatief effect van een verhoging van het minimumloon in het algemeen .

Starterslonen voor jongeren
De federale regering heeft in die zin een eerste poging gedaan om de minimumlonen tewerkstellingsvriendelijker te maken bij de opmaak van het budget 2017 . Op relatief discrete wijze werd een ingreep in de minimumlonen voor jongeren onder de 21 jaar aangekondigd . Bedoeling was de minimumlonen onder de 21 jaar degressief te maken . Voor 16 jaar en jonger naar 70 % van het minimum en dan telkens met 6 % naar boven om aan de 100 % van het minimum op 21 jaar te geraken .Maar al een dag na de aankondiging werd ook vlug gemeld dat de betrokkenen er netto niet op achteruit zouden gaan , dus zou het lagere bruto op één of andere manier gecompenseerd worden . Na heel wat reacties en aarzelingen werd de maatregel toch omgezet in een formule van starterjobs , waarbij het minimum voor een 18 jarige  18 % lager zou liggen vanaf juli 2018 . ( wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie) . Maar met een toeslag vrij van belastingen en sociale zekerheidsbijdragen  zodat de jongere  netto geen verlies zou lijden tov de huidige situatie . En ja  , ook dit leidde tot vakbondsprotest . Omdat er verlies zou zijn in afgeleide rechten zoals vacantiegeld, eindejaarspremie en sociale uitkeringen .

De evaluatie zal pas voor veel later zijn . Nu al kan gesteld worden dat ,mede door de complexiteit, er weinig toepassingen zullen zijn . Het Planbureau zou trouwens voorgerekend hebben dat het effect zich tot enkele honderden jobs zou beperken . Much ado about nothing  dus .  Een maatregel genomen voor het principe zonder geloof in het effect .

Tijd voor een grondige bezinning over de minimumlonen ?

Persoonlijk ben ik er altijd voorstander van  geweest minimumlonen eerder uit ethische hoek te benaderen dan uit sociaal-economische  .In mijn boeiende gesprekken met macro-economisten ben ik al wel eens gestruikeld over de stelling dat zelfs negatieve minimumlonen economisch zouden moeten kunnen .

Ethisch kan je niet verdedigen dat een persoon  die zich full time inzet voor een ander daarvoor niet minstens kost en inwoon moet terug krijgen . Anders ben je nog slechter af dan met slavernij . Bij ontbreken van minimumdrempels loert  mensonwaardige uitbuiting om de hoek .  Uitzonderingen hierop moet je niet absoluut uitsluiten , voor minderheidsgroepen met afwijkend  lage kansen op de arbeidsmarkt, maar die moeten strikt omkaderd worden .

Als je van ethisch oogpunt vertrekt kan je de vraag stellen in welke mate dit onderhandelingsmaterie kan zijn tussen sociale partners . In welke mate kunnen zij rekening houden met het algemeen belang ? Sectoraal lijkt dat in elk geval niet mogelijk . Sectorale minima zijn enkel te verantwoorden als ze gekoppeld zijn aan een soliede functieclassificatie waarbij scholing en ervaring in rekening worden gebracht . Wat inhoudt dat het nulpunt  interprofessioneel en  identiek moet zijn ,  behoudens impact van werkomstandigheden . En dit nulpunt maakt  ook deel uit van het regeringsbeleid . Of anders gesteld , hier is een tripartite akkoord op zijn plaats .

Van minimumloon naar een reflexie over  minimuminkomen overstappen is dan weer een te grote stap . Wel kan je de vraag stellen of ook buiten het werknemersstatuut , geen minimum voor een dienstenactiviteit moet weerhouden worden . Een activiteit in dienstverband als zelfstandige is vandaag geen contradictio in terminis meer . Beschouw dit maar als een step up voor een nog iets complexer toekomstig debat .

Paul Soete juni  2018

 

cao onderhandelingen Nederlandse metaal – vierde ronde op 16 mei

Ook tijdens de derde en in principe laatst geplande onderhandelingsronde van 7 mei kwam het niet tot een akkoord . Vakbond vindt loonaanbod van de FME te mager . Op 16 mei wordt een nieuwe poging gepland . Acties na die datum zijn niet uit te sluiten .

De vakbond vraagt  3,5 procent loonsverhoging voor dit jaar . De werkgevers hebben een voorstel geformuleerd voor een cao met een looptijd van 31 maanden met de volgende loonsverhogingen in de basis-cao: 1% per 1 oktober 2018, 3% per 1 juli 2019 en 1,7% per 1 juli 2020.  FNV Metaal noemt dat volstrekt onder de maat.

Ook op vlak van de andere eisen ( oudere werknemers, flexibiliteit ,opleiding ) is er geen merkbare toenadering . Vakbonden hebben het  over een eindeloopbaanpact . Ondernemingen over een vitaliseringspact .

(cfr ons bericht van 27 maart )

Nederlandse metaal -De cao-onderhandelingen starten op 28 maart

1 Na Duitsland is Nederland aan de beurt .
Met veel aandacht hebben we recent de belangrijke onderhandelingen in de Duitse metaal kunnen volgen . Waarbij loonsverhogingen, maar ook de mogelijkheid van individuele vermindering van de arbeidsduur centraal stonden  .( cfr onze column ‘ Akkoord duitse metaal – belangrijke loonsverhoging in 2018 en meer flexibiliteit voor werknemer en werkgever’ ) Nu is de Nederlandse metaalsector aan de beurt . Einde maart starten de sociale onderhandelingen over een nieuwe cao in de belangrijke sector die in Nederland de Metalektro wordt genoemd, of nog , grootmetaal . Goed voor een 220 000 werknemers in de industrie . Daarnaast bestaat de sector Metaal en Techniek die als kleinmetaal is gekend en ondermeer de kleinere metaalverwerkers, de installateurs en de carrossiers omvat . In kleinmetaal werd vorig jaar een cao gesloten voor een periode van 25 maanden , met een gemiddelde van 2 % loonsopslag per jaar en de invoering van een ‘ generatiepact’ . Die lopende cao zal zeker de onderhandelingen beïnvloeden , misschien zelfs meer dan wat bij de Duitse collega’s is gebeurd .

2 De vakbondseisen .
2.1 Lonen
Wat de lonen betreft vraagt FNV metaal een verhoging met 3, 5 % voor één jaar . Duidelijk minder dus dan de 6 % die de vakbondscollega’s van IG Metall hadden gevraagd . Daarbij enkele bedenkingen . Ten eerste : de gevraagde loonsverhoging werd voor alle sectoren op dezelfde wijze bepaald en is indexering inclusief , bij inflatievooruitzichten voor 2018 van 1,35 % . Ten tweede stellen we vast dat de laatste jaren de loonstijgingen in Nederlandse metaal onder deze van Duitsland lagen . Zo was tijdens de voorbije jaren de conventionele loonsverhoging in Nederlandse grootmetaal ongeveer 2 % per jaar op basis van de vorige uitzonderlijk langdurige cao ( 37 maand) , terwijl in Duitsland de lonen met bijna 3 % per jaar stegen . Daarnaast is meestal de afstand tussen aanvangseis en resultaat in Nederland kleiner dan in Duitsland waar ze traditioneel rond de 60 % schommelt . Tenslotte is ook het mogelijk doorsijpeleffect naar ons land  kleiner gezien het beperkter gewicht van Nederland in de weging die in het kader van onze loonnorm wordt gemaakt .
Bij de looneisen is tevens voorzien is dat FNV Metaal het stelsel van (lage) jeugdlonen wil afschaffen. Nederland kent een veel sterkere degressiviteit voor jeugdlonen  dan ons land .
2 Andere thema’s – generatiepact
Naast de lonen lijkt de vakbond vooral een belangrijke eis in petto te hebben wat de oudere werknemers betreft . Onder de noemer generatiepact . Daarmee zou vanaf een bepaalde leeftijd slechts 80 % moeten gewerkt worden voor een 100 % loon en 100 % pensioen . Een dergelijk generatiepact werd reeds opgenomen in de recente cao voor Metaal en Techniek , waarbij vanaf 62 jaar verminderde prestaties met gedeeltelijke looncompensatie mogelijk zijn . Eén van de drie voorziene formules is die van een 80 % prestatie , met 90 % loon en 100 % pensioen . In dezelfde lijn wordt gevraagd ‘ontzie-maatregelen’ voor oudere werknemers verder uit te bouwen zoals de vermindering van nachtarbeidsprestaties .
Ook het beter omkaderen van de flexuren ( overuren en dergelijke …) en de inzetbaarheid worden aangekaart . Wat dat laatste betreft is er de vraag een derde dag opleiding toe te voegen aan het bestaande recht op twee dagen . En uiteraard vormt de pensioenthematiek een belangrijke issue in de besprekingen .
Tenslotte wordt als toetje een extra dag verlof gevraagd voor vakbondsleden .

3 De kalender : Na 28 maart zijn vergaderingen gepland in april en mei . De huidige cao loopt af op 1 juni

Oudere posts

© 2019

Theme by Anders NorenUp ↑