De automatische indexering van de lonen als thema op tafel leggen leidt steevast tot extreem gedrag. Steigerende en dreigende vakbonden, vertwijfelde academici, ontkennende politici,… Hoewel er nu toch enige kentering merkbaar is. Om bij de academici te beginnen: de tijd van de professoren experten, die het indexeringssysteem verdedigden, ligt al meerdere decennia achter ons. De kritiek van de internationale instellingen, de conclusies van de ‘studie in de schuif’ van de Nationale Bank in 2012, stellingnames ten persoonlijke titel van de commissaris van het Planbureau wijzen er op dat op dit front enige reflectie toch mogelijk en toegelaten is.En nu is er ook op politiek vlak beweging vast te stellen. Zeker één partij in ons complexe politieke landschap doet voorstellen voor een verregaande hervorming van de indexering. En sluit daarmee aan bij de fundamentele kritiek die door een meerderheid binnen het ondernemersmiddenveld wordt gedragen.Een gelegenheid om de vijf onderliggende elementen van die kritiek even op een rijtje te zetten en ook de meestal minder, of niet belichte argumenten voor een hervorming aan te kaarten.

Niet verwonderlijk: het eerste element van kritiek op ons automatisch indexeringssysteem is de negatieve impact op onze concurrentiepositie inzake loonkost. Die is in de periode 2005 tot 2012 sterk beïnvloed door de snellere evolutie van de inflatie in vergelijking met de buren. De ongeveer 4,5% hogere prijsinflatie heeft meerdere oorzaken. Om te beginnen oorzaken waaraan sindsdien is gewerkt, namelijk een beperktere concurrentie op het vlak van energie en telecom en een voorbijgestreefde indexkorf, samen goed voor ongeveer een derde van het verschil. Maar voor het overige lijkt de enige uitleg het sneeuwbaleffect van de automatische loonsaanpassingen aan de stijgende prijzen. Een effect waarvan de buren gespaard blijven door ontbreken van dergelijk automatisch mechanisme.

Een tweede element van kritiek is beleidsmatig. Het bestaan van dit uniek stelsel is slecht voor ons imago op de internationale scene. In andere Europese landen werden deze stelsels gaandeweg verlaten, bvb. begin jaren 80 bij onze noorderburen. Maar ons land wordt als een halsstarrige leerling beschouwd die aan het verleden vastklampt. Of anders uitgedrukt, werd dit stelsel overal in de EU toegepast dan was dit niet problematisch. Nu echter lijken we volgelingen van een achterhaalde doctrine waarvan een rigide loonvormingssysteem één van de belangrijkste componenten is. Eveneens beleidsmatig kan gesteld worden dat een dergelijk automatisme aanzet tot deresponsabilisering. Deresponsabilisering van een overheid die een fiscaal beleid kan voeren door consumptiebelastingen te verhogen die dan op de bedrijven wordt afgewenteld. Maar hetzelfde geldt voor particulieren, zoals vrije beroepen die hun prestaties indexeren en verhuurders die de huurprijzen contractueel binden aan de inflatie.

Een derde element geldt de loonwig, namelijk het verschil tussen nettoloon en loonkost. De werknemer houdt gemiddeld netto één derde over van wat een loonsverhoging aan de werkgever kost. Beide partijen voelen zich bedrogen en hebben de indruk dat de overheid als lachende derde de grote begunstigde is van elke indexaanpassing. Of dit nu klopt of niet is daarbij van geen belang.

Een vierde element van kritiek ligt in het onbillijk karakter van die ‘one fits all’-indexering in procenten. Langs de ene kant worden de lage lonen relatief slechter beschermd want het consumptiepatroon dat aan de basis ligt van de indexkorf is dit van Jan en Mieke Modaal. Maar hun uitgaven-patroon verschilt duidelijk van dat van de zwakkere loontrekkende of uitkeringsgerechtigde. Huur, verwarming, water, voeding wegen bij die laatsten veel sterker door. Langs de andere kant worden de hogere lonen verwend en wordt de budgetruimte opgevreten om jongeren te belonen. Terwijl ouderen eerder uit de markt worden geprijsd.

Als vijfde element tenslotte halen we een punt van kritiek aan dat wellicht meest onderbelicht wordt in alle analyses: de automatische indexering ondergraaft het sociaal overleg. Op het eerste zicht een paradoxale stelling als men zich nog de conclusies van voormelde professoren experten herinnert. Zij gingen er van uit dat de indexering als voordeel had de sociale vrede te bevorderen. Dat klopt ten dele want als er geen overleg is, dan is er ook geen risico op conflict. Maar dit effect is toch uiterst beperkt want onze ranking op het vlak van conflicten is ondanks dit uniek mechanisme bijzonder slecht.

De automatische loonaanpassing wordt als een soort grondrecht beschouwd. Aanvankelijk tot stand gekomen door overleg, met af en toe een conflict tussen vakbonden en werkgevers. Volledig op dreef gekomen en in sectorale cao’s van onbepaalde duur gegoten begin van de jaren 70. Heel even geplafonneerd in de tweede helft van dat decennium onder druk van de double digit inflatie.Door de regering zwaar aangepakt in de jaren 80, zowel in het kielzog van de devaluatie als in het kader van de redding van de sociale zekerheid via 3 indexsprongen. En nu al sinds 96 overgenomen door de overheid die de indexering bij wet garandeert en betonneert. En consequent in éénzelfde beweging, om de concurrentiekracht te beschermen, de onderhandelingsvrijheid van vakbonden en werkgevers aan banden legt.

Want indexering en onderhandelingsvrijheid gaan niet samen.

Sinds 96 is in het beste geval een schrale onderhandelingsmarge voorzien boven index. En de laatste jaren helemaal niets meer.

Als de loonvorming geen deel meer uitmaakt van de sociale dialoog, als de indexering wordt gepercipieerd als een gegarandeerd en ‘gratis’ recht, hoe kunnen bonden nog hun rol valoriseren? Hoe kan men van werkgevers verwachten dat zij een lange termijn beleid kunnen ontwikkelen inzake loonvorming? Welke ondernemer zal het risico nemen in conflict te gaan voor een discussie die zich beperkt tot marginale aspecten van de loonkostevolutie terwijl aan de fundamentele niet kan worden geraakt. Elke vorm van lange termijn visie inzake loon- en arbeidsvoorwaarden via afspraken met werknemers en hun vertegenwoordigers wordt de facto moeilijk zoniet onmogelijk gemaakt. En dit geldt niet alleen het collectief overleg. Ook voor individuele waarderingen en loonsaanpassingen binnen het bedrijf is amper nog plaats. Bijna alle budgetten worden volledig aangewend om een procentueel identieke indexering te garanderen van hoog tot laag, van jong naar oud. Geen positieve boodschap voor jongeren die een stap vooruit willen en daartoe ook de nodige inspanningen doen. Dat de sympathie bij jongeren voor een collectieve benadering dan ook afkalft, zal niemand verwonderen. En als het collectief overleg gaandeweg enkel nog belangrijk blijft bij het milderen van de gevolgen van herstructureringen of sluitingen krijgt het nog meer een negatief etiket opgeplakt.

Als ooit het sociaal overleg ten grave wordt gedragen mag de automatische indexering zeker vooraan mee in de stoet.

Bron: Website Itinera, 15 april 2014

 

 

 

 

 

Tweet about this on TwitterShare on LinkedInShare on FacebookShare on Google+